‘Leerkrachten worden niet enthousiast van een koersplan, maar wel van wat het koersplan betekent voor hun leerlingen.’

Turner vervulde de rol van ‘critical friend’, altijd bereikbaar voor kritisch advies

Casestory INNOVO: bestuurssecretaris Daniëlle Schaepkens en bestuursadviseur communicatie Hélène Bessems van basisscholenkoepel INNOVO in gesprek met Nicolai Manie director strategie-executie bij Turner over de strategieopdracht.

De totstandkoming van het nieuwe koersplan van basisscholenkoepelorganisatie INNOVO in Zuid- en Midden Limburg was een onorthodoxe exercitie. Door omstandigheden hadden de 43 aangesloten scholen recent nog een eigen schoolplan opgesteld. Met onderwijsadviseur Nicolai Manie van Turner als critical friend gingen Daniëlle Schaepkens en Hélène Bessems op zoek naar de rode draad in al die plannen. ‘Leerkrachten worden niet enthousiast van een koersplan, maar wel van wat het koersplan betekent voor hun leerlingen.’

1. Wat was het vraagstuk waarvoor Turner is ingeschakeld? En wat was er zo ingewikkeld aan?

Tijdens een heidag met het College van Bestuur (CvB) van basisscholenkoepel INNOVO, een jaar geleden, namen bestuurssecretaris Daniëlle Schaepkens en bestuursadviseur communicatie Hélène Bessems het initiatief om na te denken over de weg naar een nieuw koersplan voor de organisatie. De naam koersplan kozen ze niet voor niets, vertelt Bessems. Door omstandigheden hadden de 43 aangesloten basisscholen zelf recent nog een nieuw schoolplan opgesteld. ‘We konden moeilijk zeggen: we gaan nu een strategie bedenken en wat jullie op al die scholen hebben gedaan, dat doet er niet meer toe. We hebben het dus moeten omdraaien en de schoolplannen als uitgangspunt voor het koersplan genomen. De reis naar de stip op de horizon was dus ook van belang. Dan moeten we het geen strategisch beleidsplan noemen, dachten we, maar een koersplan: de koers die we samen willen gaan varen, moet leidend zijn.’
Schaepkens en Bessems kregen de leiding over het project op natuurlijke wijze in handen. ’De meeste medewerkers binnen het Servicebureau hebben een specialistische expertise’, vertelt Schaepkens. ‘Ze zijn goed op bijvoorbeeld personeelsvlak, of op onderwijs, of op finance. Wij zijn meer de generalisten binnen de organisatie.’ Als bestuurssecretaris ondersteunt Schaepkens het CvB en de Raad van Toezicht (RvT) en fungeert zij als de linking pin tussen deze twee gremia en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR). Bessems staat als bestuursadviseur communicatie nauw in contact met het CvB, en veel andere medewerkers, onder wie de 32 schooldirecteuren.
Het opstellen van een nieuw koersplan is belangrijk voor de koepelorganisatie. Onder INNOVO vallen 43 scholen in veertien gemeenten in Limburg, deels voor speciaal onderwijs, met ruim 9.000 leerlingen en meer dan duizend medewerkers. Een groot gebied, dat zich uitstrekt van Slenaken-Epen in het zuiden tot Linne en Posterholt in het noorden, met een heel divers karakter. ‘Dat maakt het complex’, vertelt Schaepkens.
Vroeg in het proces beseften Schaepkens en Bessems al dat ondersteuning nodig hadden bij het opstellen van zo’n plan en de bijbehorende ‘reis’. Tijdens een gesprek met het College van Bestuur maakten zij de wens kenbaar om ondersteuning te krijgen. Bessems: ‘Carola van der Weijden, de voorzitter van het CvB, kwam toen met de naam van Nicolai Manie van Turner. Zij hadden samengewerkt aan een complex project van de Universiteit Maastricht. Van het kennismakingsgesprek met Nicolai zijn een paar dingen blijven hangen: het idee het zo praktisch mogelijk te maken, te zorgen dat het uitvoerbaar wordt en dat het plan op executie gericht zou moeten zijn.’
Manie nam daarom de rol van critical friend op zich. ‘We hebben het lang gehad over de vraag wat INNOVO nodig had, omdat dit voor ons een atypische opdracht is. Normaal gesproken zijn we niet actief in het primair onderwijs. Als adviseur ben ik constant beschikbaar geweest. Gaan we de goede kant op, kan het nog scherper geformuleerd worden, worden de mensen voldoende meegenomen?’ Juist omdat hij niet overal bij was, groeiden Schaepkens en Bessems in hun rol, vertelt de laatste. ‘Door deze manier van samenwerken hebben we veel zelf gedaan en daardoor ook veel geleerd.’ Schaepkens: ‘Als wij bijvoorbeeld een bijeenkomst hadden, belden we tevoren met Nicolai om de werkvormen door te spreken. Hoe kun je zo’n grote groep managen, en hoe haal je daar het beste uit? Hoe zorg je dat je iedereen in checkt?’
Het was ook een enorme groep, waarmee Schaepkens en Bessems aan de slag gingen. Bessems: ‘De directeuren zijn de sleutel tot de scholen. Op een bepaald moment hebben we er ook de adjuncten en het servicebureau bij betrokken. Zo ontstond een groep van zo’n tachtig mensen, waarmee we het hele stuk doorgeakkerd hebben en steeds hebben doorgevraagd. Uiteindelijk hebben we ook een bijeenkomst gehad met de GMR en de RvT en hebben we nog een medewerkersbijeenkomst op de planning staan.’

2. Wat heeft voor de doorbraak gezorgd? Inhoudelijk, veranderkundig en/of projectmatig?

Zelf zien Schaepkens en Bessems twee doorbraken. De eerste was de door Turner ontworpen en grotendeels gefaciliteerde MD-tweedaagse, waarbij alle directeuren aanwezig waren. ‘Gedurende die twee dagen hebben we uitsluitend over het koersplan gesproken’, vertelt Schaepkens. ‘Ons doel in die twee dagen was de belangrijkste thema’s vast te leggen. Met als uitgangspunt dus de schoolplannen. De grote vraag was wat de rode draad was die daar doorheen liep. Op basis van die tweedaagse hebben we vijf hoofdthema’s benoemd, die door alle directeuren zijn omarmd. Die zijn nu opgenomen in het koersplan en kunnen voor niemand een verrassing zijn.’ Die bijeenkomst was cruciaal, omdat de directeuren veel dichter bij elkaar kwamen. Bessems: ‘Zolang het over dromen gaat, of over de toekomst, kan iedereen zich wel in de plannen vinden. Maar als het lastiger wordt, en het gaat bijvoorbeeld over geld, dan kunnen mensen toch tegenover elkaar komen te staan. De taal en de tools die Turner heeft aangereikt, zoals de check-ins, hebben ons daarbij geholpen.’

De tweede doorbraak is procesmatig. ‘We zijn tegen één advies van Turner ingegaan’, zegt Bessems. ‘En dat betreft de omvang van de projectgroep. Daar hebben we wel een beetje buikpijn van gehad, maar het bleek goed te werken. Nicolai zei dat we met maximaal acht mensen aan de slag moesten gaan als projectgroep, maar dertien directeuren gaven te kennen onderdeel te willen uitmaken van die projectgroep. In onze beleving konden we geen nee zeggen tegen mensen die wilden meedoen. We hebben wel enkele voorwaarden gesteld: als je er een keer niet bij kunt zijn, dan gaat de afspraak gewoon door, bijvoorbeeld. Uiteindelijk heeft deze keuze heel goed uitgepakt: doordat er dertien directeuren betrokken waren, hadden we van meet af aan veel draagvlak.’ Schaepkens: ‘Het heeft ons ook andere voordelen gebracht. Je hebt bijvoorbeeld altijd redelijk snel een deel van de groep bij elkaar, ook voor een verdiepingsslag, waarbij het goed is met iets minder mensen te werken. Ook heeft een aantal directeuren een soort ambassadeursrol op zich genomen, waarmee zij andere directeuren hebben geënthousiasmeerd.’

De keuze voor een grote projectgroep was interessant, vond Manie. ‘Ik zou nog steeds niet adviseren met een heel grote groep te gaan werken. Jullie hebben ook gemerkt dat het met een groep van acht mensen gemakkelijker werken is, toch? Wat wel goed is, was dat er verborgen talent kwam bovendrijven. Mensen die niet zo snel hun stem laten horen. Bij andere opdrachtgevers krijg je meestal een vooraf geselecteerde groep aangereikt, vaak met de meest mondige mensen. Mensen die wat verlegener of teruggetrokkener zijn, komen minder snel in beeld.’

3. Hoe is de executie tot stand gekomen?

Het vaststellen van de vijf basisthema’s was niet moeilijk. Het werd pas lastig toen Schaepkens en Bessems de diepte zochten. Zodra zij doorvroegen, en op zoek gingen naar welke stappen zouden moeten volgen na het opstellen van het koersplan, werd het spannend. Bessems: ‘Als er vijf basisthema’s zijn, betekent dat ook dat er dingen zijn die we niet gaan doen. Of we doen er wel iets aan, maar we leggen daar niet de focus op.’ ‘Schaepkens: ‘Neem bijvoorbeeld digitale geletterdheid. Een belangrijk onderwerp, dat ongetwijfeld aan de orde zal komen. Maar we gaan er in het koersplan niet de focus op leggen.’ Bessems: ‘Dat is een spannende keuze. We hebben nu met z’n tweeën koersplan versie 1.0 geschreven, maar wat gaat het College van Bestuur zeggen? Wij hebben ons aan het oorspronkelijke plan gehouden: het koersplan is daarvan het resultaat.’ Schaepkens: ‘Het College is bijvoorbeeld bezig met een beweging dat heet “ieder kind een diploma”. Deze beweging is later gestart dan de reis van ons koersplan. Natuurlijk speelt inclusief onderwijs waar de beweging ook over gaat ook in het koersplan een rol. Maar hoe verenigen we die twee?’
Dit proces is ingewikkeld voor de organisatie, maar wel heel natuurlijk, zegt Manie. ‘De organisatie begint op een bepaald moment echt te schudden, en dat merken jullie nog steeds. Maar daar zit wel de sleutel tot executie. Stel dat voor iemand – en dat kan een bestuurder zijn – een belangrijk thema ontbreekt: moet dat er dan nog even snel ingefietst worden? Ik denk van niet. Dit plan voldoet aan wat aan de voorkant is afgesproken. De bestuurders van INNOVO zijn beiden relatief nieuw, maar tijdens de management dag heb ik wel gezien dat zij er niet op uit zijn de discussie te domineren. Ze hebben zich opgesteld als een van de stakeholders en hebben vertrouwen in het proces.’ Schaepkens heeft die ruimte ook ervaren. ‘Ze hebben ons het vertrouwen gegeven om onze eigen route te volgen. Tegelijkertijd is het wel spannend. We hebben duidelijk gemaakt dat iedereen voortdurend zijn huiswerk heeft gedaan en dat het koersplan daardoor breed gedragen wordt.’
Er ligt nu een koersplan van slechts dertien pagina’s, scherp geformuleerd en breed gedragen. ‘De opdracht is nu om te voorkomen dat het koersplan slechts een poster aan de muur wordt’, zegt Manie. ‘Jullie hebben steeds de urgentie gevoeld om vast te leggen hoe de organisatie in actie kan komen. Jullie hebben gekozen voor scherpe, heldere taal. Schimmige begrippen zijn gedemystificeerd, kinderen zouden het in theorie kunnen lezen. Nu gaat het om actie.’

4. Zijn er baten voor alle belanghebbenden? 

Een belangrijke graadmeter is de medewerkersbijeenkomst die in maart plaatsvindt, een luchtballonsessie, zoals ze die noemen. ‘De grote vraag is: wat ziet, hoort, ruikt en voelt een kind als dat over vier jaar jouw klas binnenwandelt’, zegt Schaepkens. ‘Daar gaat het uiteindelijk om.’ Bessems: ‘Hoe ziet kansengelijkheid er dan uit? Dat is een spannende vraag, waarop de leerkrachten het beste antwoord zullen hebben. Hoe verder je van het primaire proces staat, hoe lastiger die vraag te beantwoorden is. En leerkrachten worden niet enthousiast van een koersplan, maar wel van wat het koersplan betekent voor hun kinderen.’ Die vraag is al aan de orde geweest bij de MD-tweedaagse, waar de leerkrachten werd gevraagd een artikel te schrijven over hoe hun school er over een paar jaar uit zou moeten zien voor hun leerlingen. ‘Dan wordt ook duidelijk wat de verschillen tussen bijvoorbeeld Heerlen-Noord en Heerlen-Zuid zijn’, vertelt Manie. ‘Ze moesten twee heel verschillende perspectieven in elkaar vouwen. Heel waardevol. Want wat bij de ene school een probleem is, bijvoorbeeld de vraag of er wel ontbeten is, speelt helemaal niet op de andere school.’
Voor de meer dan duizend medewerkers moet het koersplan leiden tot een groter onderling begrip en betrokkenheid, en voor andere stakeholders tot duidelijkheid over waar INNOVO voor staat en waar de organisatie naartoe wil. Bessems: ‘Onze scholen hebben vanzelfsprekend met allerlei andere organisaties te maken, zoals de zorg, kinderopvang peuterspeelzalen en gemeenten. Die organisaties weten straks veel beter waar wij voor staan en wat ze van ons kunnen verwachten. In die zin hebben we ook solidariteit nodig. Dat zal soms schuren, maar we denken dat de tekst, zoals die er nu staat, voor alle scholen passend is. Dat is de rode draad die we samen uit de schoolplannen hebben weten te halen.’ Schaepkens: ‘Elke school kent maatschappelijke uitdagingen. Bij de ene school gaat het meer om kansengelijkheid, bij de andere school om inclusie.’
Het nieuwe koersplan heeft ook duidelijke baten voor de bestuurders, in hun omgang met leerkrachten, leerlingen en ouders en stakeholders. ‘Als je het mysterieus houdt, blijft altijd vaag wat mensen kunnen verwachten’, zegt Manie. ‘Nu ligt er een heel concreet stuk, waardoor niemand zich meer kan verschuilen achter grote woorden. Dat is een belangrijk verschil met het vorige plan.’ Schaepkens: ‘Het vorige plan was echt heel goed, prachtig geschreven, maar je kon er je eigen draai aan geven. Dat leidde soms tot verwarring. Daarom hebben we vanaf het begin iedereen voorgehouden dat we duidelijke taal moesten gebruiken.’

5. Wat was het belangrijkste dilemma en hoe bent u daarmee omgegaan?

Het belangrijkste dilemma is al ter sprake geweest: de aangesloten scholen hadden al een nieuw schoolplan voordat er een nieuw koersplan lag. Dat hebben Schaepkens en Bessems opgelost door de volgorde om te draaien en de schoolplannen als uitgangspunt voor het nieuwe koersplan te nemen. ‘Waar we wel nog tegenaan liepen, was de zoektocht naar hoe we de reis die we met elkaar maakten, iedere keer opnieuw konden vastpakken’, zegt Schaepkens. ‘Hoe doe je zoiets? Hoe zorg je dat iedereen mee blijft doen en het leuk vindt? En dat we niet verslappen? We zitten nu niet meer steeds met iedereen bij elkaar, en dat is best spannend.’
Dat is een belangrijk punt. Toen Manie betrokken raakte bij INNOVO, vertelde Van der Weijden dat ze bij haar aantreden als voorzitter van het CvB in april 2023 een organisatie aantrof die ‘aandacht nodig had in de verbinding, vertelt hij. ‘Zij wilde de medewerkers weer meer bij elkaar brengen. Het koersplan kan daarvoor een vehikel zijn. Haar hoop was dat wanneer het proces van het koersplan goed zou verlopen, de verbinding ook zou groeien. Op die management dag hebben we daar ook wel voorbeelden van gezien, zoals in de waardering van de schooldirecteuren voor haar stijl van leidinggeven en de manier waarop zij dingen aanpakt.’

 

Hélène Bessems, bestuursadviseur communicatie van INNOVO, Daniëlle Schaepkensen  bestuurssecretaris van INNOVO en Nicolai Manie, director Strategie = Executie Turner

Hélène Bessems

Bestuursadviseur communicatie INNOVO

Daniëlle Schaepkens

Bestuurssecretaris INNOVO


Wilt u ook sneller verbeteren vernieuwen en innoveren?

Turner is hét organisatieadviesbureau gespecialiseerd in strategie-executie. Samen een nieuwe strategie realiseren, dat maken we waar. Turner wordt voor de zevende jaar op rij door opdrachtgevers gezien als het beste strategisch adviesbureau van Nederland. Meer dan 4000 bestuurders en professionals deden mee aan het onderzoek van MT1000 waarbij Turner de hoogste waardering ontving voor strategie-advies, klantgerichtheid, excellente uitvoering en productleiderschap.

MT1000 NL reeks

Lees hier meer over de resultaten die andere opdrachtgevers behaalden met hulp van Turner Strategie = Executie. Een afspraak maken? Neem contact met ons op.

Meer weten over Turner Onderwijs?

Hoe dragen universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen bij aan de door de maatschappij gevraagde talent- en kennisontwikkeling? Nu en in de toekomst.

Turner Onderwijs helpt professionals om het onderwijs naar een hoger plan te tillen. 

Maak een afspraak

Wilt u meer informatie of een offerte op maat ontvangen? Vul het formulier in voor een vrijblijvende afspraak.

Meer opdrachten

Onderwijs
Alexander Bruinsma

HAN vernieuwt portfoliomanagement

De HAN werkt aan een nieuwe portfoliobatenstrategie voor onderwijs en onderzoek. Een strategie met oog voor financiële én maatschappelijke opbrengsten. Turner ondersteunt bij het ontwikkelen van een afwegingskader en richtinggevende

Lees verder »